Samoyed Standard / Standaard van de Samojeed


Origin / Oorsprong
First official standard / Eerste officiële standaard

Present standard / Huidige standaard
Compare / Vergelijk
Teeth / Tanden


Origin / Oorsprong

The Samoyed

The Samoyed, nowadays classified in group V (F.C.I.) Spitz and primitive types originates from northern parts of the western hemisphere. In the beginning of the 19th century the breed drew the attention of Polar explorers who transferred them to more civilized parts of the world. It's obvious that the Samoyed was not just kept as a pet in his original habitat.

They were found living together with the nomad people who especially assigned him the task as cattle-drover and keeper of reindeer. One does suspect that in certain areas, mainly in Finish Lapland, the Samoyed was also sometimes used to pull light sledges. However, in his original living space the samoyed certainly was not a sled dog. The dog was merely assigned to fulfill sled dog tasks after it became impossible for the explorers to obtain dogs from Greenland. Those dogs from Greenland were much more capable to do the work the explorers need them for.

Thanks to the friendly character of the Samoyed breed, the dog was allowed to live close to the people. On 15 May 1909 the first breed standard, written by Mr Kilburn Scott, was published in England.

Though the exterior of the Samoyed did not change much since 1909, this standard was changed to unclear reasons over the years.

You can read the official text of the breed standard published in 1909, as well as the present breed standard underneath.

De Samojeed

De Samojeed, tegenwoordig ingedeeld in rasgroep V (F.C.I.) bij de Spitzen en Oertypen, is oorspronkelijk afkomstig uit noordelijke streken op het Westelijk halfrond. Aan het eind van de 19e eeuw werd het ras door poolreizigers opgemerkt en werden er exemplaren meegenomen naar meer geciviliseerde delen van de wereld. Het spreekt voor zich dat de honden in het oorspronkelijk leefgebied niet slechts als gezelschapsdier leefden. Door de nomadenvolkeren waar zij werden aangetroffen, werd hem vooral de taak als veedrijver en hoeder van rendieren toebedeeld. Men vermoedt dat de Samojeed in bepaalde streken, voornamelijk in Fins Lapland, eveneens af en toe gebruikt werd om sledes met lichte vrachten te trekken. In zijn oorspronkelijke leefgebied was de samojeed zeker geen sledehond. Deze taak werd hem pas toebedeeld toen het voor de ontdekkingsreizigers onmogelijk werd om nog langer honden uit Groenland te verkrijgen. De honden uit Groenland waren veel meer geschikt voor het doel waar de ontdekkingsreizigers honden voor nodig hadden.

Het vriendelijke karakter van het ras de Samojeed zorgde ervoor dat hij in de nabijheid van de mens mocht leven. Op 15 mei 1909 werd de eerste rasstandaard, geschreven door Mr Kilburn Scott, in Engeland gepubliceerd. Alhoewel het uiterlijk van de Samojeed sinds 1909 niet veel veranderingen heeft ondergaan, is deze standaard in de loop der jaren om onduidelijke redenen gewijzigd.

Hieronder kunt u zowel de officiële tekst van de in 1909 gepubliceerde rasstandard alsmede de huidige rasstandaard lezen.

To Index


First official standard / Eerste officiële standaard

Reprinted from
"The Queen," The Lady's Newspaper
May 15, 1909

The following summary, compiled by Mr Kilburn Scott, may be found usefull by admirers of the breed. It is now published for the first time:

Colour: Pure white; white, with slight lemon markings; brown and white; black and white. The pure white dog come from the farthest north, and are most typical of the breed.

Expression: Thoughtful, and remarkably pretty in face; fighting instincts strongly pronounced when roused.

Intelligence: Unusual intelligence as shown by the many purposes for which dogs are used by the Samoyed people and ease with which they can be taught tricks.

Size and weight: Dogs 19 to 21½ inches at shoulders; bitches 18 to 19½ inches at shoulders; weight about 40lb.

Head: Powerful-looking head, wedge-shaped, but not foxy. Wide and flat between ears, gradually tapering to eyes; stop not too pronounced; absolutely clean muzzle, not too long, with no lippiness; strong jaws and level teeth. The nose may be either black or flesh coloured.

Eyes: Very expressive and human like, sparkling when exited; set oblique and well apart. Eyes should be dark for preference, but other colours are admissible.

Ears: Pricked, set wide apart, and freely movable; set slightly back in contradistinction to the ears of the Esquimaux and chow-chow, which are forward; shape triangular and not too large; tip slightly rounded.

Body: Body shapely, but not cobby, with staight back; muscular, with deep ribs; chest wide and deep, showing great lung power; straight front and strong neck.

Legs: Good bone, muscular and not too long; thights well feathered; fore legs straight; hind legs sinewy and set for speed.

Feet: Long and slightly spread out to get good grip; toes arched and well together; soles hairy and well padded to give grip and protection from ice and snow.

Brush: Long, with profuse spreading hair; carried over back or side when on the alert or showing pleasure; when at rest dropped down, with slightly upward turn at end.

Coat: Long and thick, standing well out all over the body, especially along back; free from curl; undercoat very soft and woolly; large bristling ruff; hair on head and ears short and very smooth.

The Queen has long been an admirer of the breed, and Jacko, an imported dog, was certainly one of the best yet seen in England; while the King's Luska, though rather bigger than most of the Samoyedes, had many admirers. Amongst those who have had Samoyede puppies from Mrs Kilburn Scott's kennels are Her Majesty the Queen, Lady Burghclere, Lady Tichborne, Lady Dundas, Hon. Sidney Buxton, MP, Postmaster General, Mrs Hwfa Williams, Lady Russel, Sir Ernest Cassel, Princess Montylyon, the Hon. Mrs McLaren Morrison, Lady Sitwel, the Hon. Lilian Baring and Mrs Everitt Everitt.

Many will tell the inquirers after knowledge how extremely interesting and beautiful are Samoyede puppies. They have been well discribed as "Teddy Bears," and they are certainly much like one of the most popular toys ever introduced. As they grow older they lose none of their charming characteristics, and a question put to Mrs Kilburn Scott as to whether or not the dogs are save with little children was answered as follows: "I can assure you they are. We have always found our dogs the best of friends with our children, and they enjoy romping together. One of their favourite games is 'hunt the slipper,' and it is most amusing to watch the dogs seek the slipper and run off with it."

A great point in their favour is almost entire freedom from disease, and they do not appear to be subject to distemper as are other dogs. Believing that a good outcross would greatly benefit the breed in England, Mr Kilburn Scott has lately imported from Australia a magnificent dog wich formed one of the pack used by the explorer Borchevnik.

He was born on the Southern Cross on her way to the Antarctic, and he was only just been released from quarantine, but he is now with the other inmates of the Vale House kennel at Bromley. He stands 21½ inches high at the shoulder and is 35 inches long. He has a fine open forehead, great ruff on neck, spreading tail and hair round the toes which are so characteristic of the breed. His fur is snowy white all over, with the gloss on the hair which is peculiar to the breed. He is a most lovable dog, and, before being brought to England, he was shown to Jack London, who has written so charmingly on Arctic dogs and their character.

He declared Antarctic Buck - as the dog is called - to be one of the finest Arctic dogs he had ever seen. So typical a Samoyede should be a great accession to the breed, especially as an outcross had become absolutely necessary.

Conversion Omrekening


Herdruk van
"The Queen," the Lady's Newspaper
15 mei 1909

De volgende lijst, opgesteld door de heer Kilburn Scott, kan van nut zijn voor de liefhebbers van het ras. Hij wordt nu voor het eerst gepubliceerd:

Kleur: Zuiver wit; wit met lichtgele aftekeningen; bruin en wit; zwart en wit. De zuiver witte honden komen uit de noordelijkste streken en zijn het meest typisch voor het ras.

Uitdrukking: Bedachtzaam en opmerkelijk knap van gezicht; vechtdriften zéér uitgesproken als ze worden opgewekt.

Intelligentie: Een ongebruikelijke intelligentie, zoals blijkt uit de vele taken waar de honden voor gebruikt worden bij het Samojedenvolk, en het gemak waarmee men ze kunstjes kan leren.

Afmetingen en gewicht: Reuen 48 tot 55 cm aan de schouders, teven 46 tot 50 cm aan de schouders; gewicht ongeveer 18 kg.

Hoofd: krachtig uitziend hoofd, wigvormig, maar niet vos-achtig. Breed en vlak tussen de oren, geleidelijk smaller toelopend naar de ogen; stop niet te uitgesproken; fijn besneden voorsnuit, niet te lang, zonder dikke lippen; sterke kaken en regelmatige tanden. De neus mag zwart of vleeskleurig zijn.

Ogen: Heel uitdrukkingsvol en menselijk, schitteren bij opwinding; schuin geplaatst en goed uiteen. De ogen zijn bij voorkeur donker, maar andere kleuren zijn toelaatbaar.

Oren: Recht opstaand, ver uit elkaar en vrij beweegbaar; iets meer naar achteren geplaatst in vergelijking met de eskimo of chow-chow, waar ze naar voren wijzen; driehoekig van vorm en niet te groot; van boven licht afgerond.

Lichaam: Welgevormd lichaam, maar niet gedrongen, met een rechte rug; gespierd, met diepe ribben; de borstkas breed en diep, duidend op krachtige longen; een recht front en een sterke nek.

Benen: Goede botten, gespierd en niet te lang; de dijbenen goed bevederd; de voorbenen recht, de achterbenen pezig en op snelheid gebouwd.

Voeten: Lang en licht gespreid om een goede grip te krijgen; de tenen gebogen en goed aaneen; de zolen behaard en met goede kussentjes om grip te geven en bescherming voor ijs en sneeuw.

Staart: Lang en rijkelijk bedekt met uitstaand haar; over de rug of zij gedragen bij aandacht, of als uiting van plezier; in rust neerhangend, met alleen de punt iets opgekruld.

Vacht: Lang en dik, goed uitstaand over het gehele lichaam, speciaal over de rug; vrij van krul; de ondervacht zacht en wollig; grote uitstaande kraag; het haar op het hoofd en de oren kort en zeer zacht.

De koningin is al lang een liefhebber van het ras, en Jacko, een ingevoerde hond, was zeker een van de beste die we tot nog toe in Engeland gezien hebben, terwijl de koning's Luska, hoewel nogal wat groter dan de meeste samojeden, door velen bewonderd werd. Onder degenen die een pup uit de kennel van mw Kilburn Scott hadden, bevinden zich Hare Majesteit de Koningin, Lady Burgclere, Lady Tichborne, Lady Dundas, de eerw. hr Sidney Buxton, mw Hwfa Wlliams, Lady Russel, Sir Ernest Cassel, prinses Montylyon, de eerw. mw McLaren Morrison, Lady Sitwel, de eerw. Lilian Baring en mw Everit Everit.

Velen zullen uit eigen ervaring aan mensen, die om inlichtingen vragen, vertellen hoe buitengewoon interessant en mooi samojeden puppy's zijn. Ze zijn terecht beschreven als "Teddyberen" en vertonen beslist veel gelijkenis met het populairste speelgoed aller tijden. Als ze opgroeien verliezen ze niets van hun charme, en toen aan mw Kilburn Scott de vraag gesteld werd of de honden wel te vertrouwen waren met kleine kinderen, luidde haar antwoord: "Ik kan U verzekeren dat ze veilig zijn. Onze honden zijn altijd de beste kameraadjes van onze kinderen, en ze houden ervan samen te ravotten. Een van hun favoriete spelletjes is de pantoffeljacht, en het is heel vermakelijk te zien hoe de honden de pantoffel zoeken en er mee vandoor gaan."

Een belangrijk punt in hun voordeel is dat ze bijna volledig gevrijwaard zijn van ziektes, ze schijnen niet onderhevig te zijn aan hondeziekte zoals andere rassen.

Omdat hij geloofde dat het inbrengen van vers bloed het ras in Engeland zeer ten goede zou komen, heeft de heer Kilburn Scott onlangs een schitterende reu uit Australië geïmporteerd, die deel uit maakte van de meute die gebruikt werd door de onderzoeker Borchgrevink.

Hij werd geboren op de "Southern Cross" op weg naar Antarctica, en is net uit de quarantaine gekomen maar nu samen met de medebewoners van de Vale House kennel in Bromley. Hij is 53 cm hoog aan de schouder en 89 cm lang. Hij heeft een mooi breed voorhoofd, een grote kraag om z'n nek, een dikke staart en haar om z'n tenen, wat zo kenmerkend is voor het ras. Zijn vacht is helemaal sneeuwit, met de glans op het haar die zo byzonder is aan dit ras. Hij is een zeer beminnelijke hond en voor hij naar Engeland werd overgebracht, is hij aan Jack London getoond, die zo verrukkelijk over poolhonden en hun karakter geschreven heeft.

Hij verklaarde dat Antarctic Buck -zoals de hond heette- een van de fraaiste poolhonden was die hij ooit gezien had. Zo'n typische samojeed zal een grote aanwinst voor het ras zijn, in het byzonder omdat een outcross beslist noodzakelijk was geworden.

Antarctic Buck
Antarctic Buck

To Index


Present standard / Huidige standaard

The exact text of the present FCI standard:

ORIGIN: Northern Russia and Siberia.

PATRONAGE: Nordic Kennel Union (NKU).


UTILIZATION: Sledge- and companion dog.

Group 5 Spitz and primitive types Section 1 Nordic sledge dogs. Without working trial

BRIEF HISTORICAL SUMMARY: The name Samoyed derives from the Samoyed Tribes in Northern Russia and Siberia. In southern parts of the area they used white, black and brown parti-coloured dogs as reindeer herders; in the northern parts the dogs were pure white, had a mild temperament and were used as hunting- and sledge dogs. The Samoyed dogs lived close to their owners, they even slept within the shelters and were used as heaters. The British engineer Ernest Kilburn Scott spent three months among Samoyed Tribes in 1889. Returning to England he brought with him a brown male puppy called "Sabarka". Later he imported a cream coloured bitch called "Whitey Petschora" from the western side of the Urals and a snow white male called "Musti" from Siberia. These few dogs and those brought by the explorers are the base for the western Samoyed. The first standard was written in England in 1909.

Medium in size, elegant, a white Arctic Spitz. In appearance gives the impression of power, endurance, charm, suppleness, dignity and self-confidence. The expression, the so called "Samoyed Smile", is made up of a combination of eye shape and position, and the slightly curved up corners of the mouth. The sex should be clearly stamped.

The length of the body is approximately 5% more than the height at the withers. The depth of the body is slightly less than the half of the height at the withers. The muzzele is approximately as long as the skull.

Friendly, open, alert and lively. The hunting instinct is very slight. Never shy nor aggressive. Very social and cannot be used as guard dog.

Powerful and wedge-shaped.

Skull: viewed from the front and in profile only slightly convex. Broadest between the ears. Slightly visible furrow between the eyes. Stop: Clearly defined but not too prominent.

Nose: Well developed, preferably black. During some periods of the year the pigment of the nose can fade to a so called "winter nose"; there must however always be dark pigment at the edges of the nose. Muzzle: Strong and deep, approximately as long as the skull, gradually tapering towards the nose, neither snipey nor heavy and square. The bridge of the nose is straight. Lips: Close fitting, black and rather full. The corners of the mouth are slightly curved forming the characteristics "Samoyed Smile". Jaws/Teeth: Regular and complete scissor bite. The teeth and the jaws are strong. Normal dentition. Eyes: Dark brown in colour, well-set in the sockets, placed rather apart, somewhat slanting and almond-shaped. The expression is "smiling", kind, alert and intelligent. The eyerims are black. Ears: Erect, rather small, thick, triangular and slightly rounded at the tips. They should be mobile, set high; due to the broad skull well apart.

Strong and of medium length with a proud carriage.

Slightly longer than the height at the withers, deep and compact but suplle. Withers: Clearly defined. Back: Of medium length, muscular and straight; in females slightly longer than in males. Loin: short, very strong and defined. Croup: Full, strong, muscular and slightly sloping. Chest: Broad, deep and long, reaching almost to the elbows. The ribs are well sprung. Underline: Moderate tuck-up.

Set rather high. When the dog is alert and in motion the tail is carried from the root forward over the back or side, but may be hanging at rest, then reaching to the hooks.


General appearance: Well placed and muscular with strong bones. Viewed from the front straight and parallel. Shoulder: Long, firm and sloping. Upper arm: Oblique and close to the body. Approximately as long as the shoulder. Elbow: Close to the body. Carpus: Strong but supple Metacarpus (Pastern): slightly oblique. Fore Feet: Oval with long toes, flexible and pointing straight forward.Toes arched and not too tightly knit. Elastic pads

Nederlandse vertaling van de tekst van de huidige FCI standaard:

HERKOMST: Noord Rusland en Siberië.

BESCHERMHEER: Nordic Kennel Union (NKU)


NUTTIG GEBRUIK: sledehond en gezelschapshond

Groep 5 Spitzen en Oertypen. Sectie 1 Noordelijke sledehonden. Geen werkproef.

KORT HISTORISCH OVERZICHT: De naam 'Samojeed' is afkomstig van het Samojedenvolk in Noord Rusland en Siberië. In Zuidelijke delen van dit gebied gebruikte men witte, zwarte en deels bruin gekleurde honden als rendier hoeders; de honden in de noordelijke delen waren zuiver wit, hadden een zachtaardig temperament en werden gebruikt als jacht- en sledehonden. De honden van het Samojedenvolk leefden dicht bij hun eigenaren, ze sliepen zelfs in de onderkomens en werden als 'verwarming' gebruikt. De Britse ingenieur Ernest Kilburn Scott verbleef in 1889 drie maanden tussen het Samojedenvolk. Bij zijn terugkeer naar Engeland nam hij een pup, een bruin reutje, mee, dat 'Sabarka' heette. Later importeerde hij uit het westelijke deel van de Oeral een crème kleurig teefje dat 'Whitey Petschora' heette en uit Siberië een sneeuwwitte reu met de naam "Musti". Tezamen met de honden die door de ontdekkingsreizigers waren meegenomen, vormden deze enkele honden de basis voor de westerse Samojeed. De eerste standaard werd in 1909 in Engeland geschreven.

ALGEMENE VERSCHIJNING: Van gemiddelde grootte, elegant, een witte Arctische Spitz. Het uiterlijk wekt de indruk van kracht, uithoudingsvermogen, bekoring, lenigheid, waardigheid en zelfvertrouwen. De expressie, de zogenaamde "Samojeden lach" ontstaat door de vorm en stand van de ogen in combinatie met de licht omhoog gekrulde mondhoeken. Het geslacht moet duidelijk herkenbaar zijn.

BELANGRIJKE VERHOUDINGEN: De lengte van het lichaam is ongeveer 5% langer dan de schofthoogte. De borstdiepte is iets minder dan de halve schofthoogte. De snuit is ongeveer even lang als de schedel.

GEDRAG EN KARAKTER: Vriendelijk, open, waakzaam en levendig. Het jachtinstinct is heel gering. Nooit verlegen of agressief. Erg sociaal en kan niet worden gebruikt als waakhond.

HOOFD: Krachtig en wigvormig

Schedel: Zowel van voren als van opzij bezien enigszins bolrond. Het breedst tussen de oren. Vaag zichtbare groef tussen de ogen. Stop: Duidelijk bepaald maar niet overdreven.

Neus: goed ontwikkeld, bij voorkeur zwart. Tijdens sommige perioden in het jaar kan het pigment van de neus verbleken tot de zogenaamde "winterneus"; aan de randen moet de neus echter altijd donker van kleur zijn. Snuit: krachtig en naar voren liggend, ongeveer even lang als de schedel, geleidelijk smaller toelopend naar de neus, maar niet spits of dik en vierkant. De neusrug is recht. Lippen: nauwsluitend, zwart en nogal vol. De mondhoeken zijn licht gebogen waardoor de 'Samojedenlach' ontstaat. Kaken en tanden: Regelmatig en volledig schaargebit. De tanden en de kaken zijn sterk. Normaal tandstelsel. Ogen: donkerbruin, goed geplaatst in de kassen, enigszins elkaar geplaatst, ietwat schuin en amandelvormig. De uitdrukking is 'lachend, vriendelijk, levendig en intelligent. De oogranden zijn zwart. Oren: rechtop staand, nogal klein, dik, driehoekig en iets afgerond aan de top. Ze moeten beweeglijk zijn, hoog geplaatst; door de brede schedel goed uit elkaar.

HALS: sterk en van middelmatige lengte met een trotse houding.

Iets langer dan de schofthoogte, diep en stevig maar lenig. Schoft: duidelijk begrensd. Rug: Van gemiddelde lengte, gespierd en recht; bij teven iets langer dan bij reuen. Lendenen: kort, zeer sterk en duidelijk begrensd. Kruis: Vol, sterk, gespierd en enigszins schuin aflopend. Borstkas: breed, diep en lang, bijna reikend tot aan de ellebogen. De ribben zijn goed gevormd. Buik: matig opgetrokken.

Nogal hoog aangezet. De staart wordt naar voren gebogen over de rug of zijde gedragen wanneer de hond waakzaam of in beweging is maar kan tijdens rust naar beneden hangen en reikt dan tot aan het spronggewricht.


Algemene verschijning: Goed geplaatst en gespierd met sterke botten. Van voren bezien recht en evenwijdig. Schouder: Lang, stevig en schuin. Bovenarm: Onder een hoek en dicht tegen het lichaam. Ongeveer even lang als de schouder. Elleboog: Dicht tegen het lichaam. Handwortel: Stevig maar lenig. Middenhand (kootjes): Enigszins onder een hoek. Voorvoeten: Ovaal met lange tenen, flexibel en recht vooruit staand. Tenen gebogen en niet al te vast samengetrokken. Veerkrachtige voetzooltjes.

Shoulder / Schouder Upper arm / Bovenarm Fore foot / Voorvoet Stifle / Kniegewricht Hocks / Spronggewricht


General appearance: Viewed from behind straight and parallel with very strong muscles.
Upper thigh: Of medium length, rather broad and muscular.
Stifle: Well angulated.
Hocks: Rather low and well angulated.
Metatarsus: Short, strong, vertical and parallel.
Hindfeet: As front feet. The dewclaws should be removed.

Powerful, free and tireless in appearance with long stride. Good reach in the forequarters and good driving power in the hindquarters.

HAIR: Profuse, thick, flexible and dense polar coat. The Samoyed is a double coated dog with short, soft and dense undercoat and longer, more harsh and straight outer coat. The coat should form a ruff around the neck and shoulders framing the head, especially in males. On head and on front of legs, hair is short and smooth; on outside of ears short, standing off and smooth. Inside the ears should be well furred. On back of the thighs the hair forms trousers. There should be a protective growth of hair between the toes. The tail should be profusely covered with hair. The coat of the female is often shorter and softer in texture than that of the male. The correct coat texture should always have a special glistening sheen.

Pure white, cream or white with biscuit. (The basic colour to be white with a few biscuit markings.) Should never give the impression of being pale brown.

Height at withers: Ideal height: male 57 cm with a tolerance of ± 3 cm and females 53 cm with a tolerance of ± 3 cm.

Any departure from the foregoing points should be considered a fault and the seriousness with which the fault should be regarded should be in exact proportion to its degree.
. Visible faults in structure.
. Light bone
. Males not masculine and females not feminine
. Pincer bite
. Yellow eyes
. Soft ears.
. Barrel ribcage.
. Double twisted tail.
. Low on the legs.
. Badly bow-legged or cow hocked.
. Wavy or short coated throughout, long, soft or coat hanging down.
. Aloofness.

. Clearly unpigmented areas on eyerims or lips.

. Eyes blue or different colours.
. Overshot or undershot bite.
. Ears not erect.
. Coat colour other than permitted in the standard.
. Shy or aggressive disposition.

N.B.: Male animals should have two apparently normal testicles fully descended into the scrotum.


Algemene verschijning: Van achteren bezien recht en evenwijdig met zeer sterke spieren.
Boven dijbeen: Gemiddelde lengte, nogal breed en gespierd.
Kniegewricht: Goed gehoekt.
Spronggewricht: Nogal laag en goed gehoekt.
Middenvoet: Kort, stevig, verticaal en evenwijdig.
Achtervoeten: Hetzelfde als de voorvoeten. De Hubertusklauwen moeten verwijderd worden.

Krachtig, vrij en onvermoeibaar met grote, lange stappen. Goed uitstrekken van de voorpoten en goede stuwing van de achterpoten.

HAAR: overvloedig, dik, flexibel en dichte poolvacht. De Samojeed is een hond met een dubbele vacht die bestaat uit een korte, zachte en compacte ondervacht en een langere, meer ruwere en gladde bovenvacht. Vooral bij reuen moet de vacht een kraag rond de hals en schouders vormen die het hoofd insluit. Op het hoofd en op de voorkant van de poten is het haar kort en glad; op de buitenkant van de oren kort, afstaand en glad. De binnenkant van de oren dienen goed behaard zijn. Aan de achterkant van de dijbenen vormt het haar een 'broek'. Er dient beschermende haargroei te zijn tussen de tenen. De staart moet overvloedig bedekt zijn met haar. De vacht van de teef is vaak korter en zachter van structuur dan die van de reu. De juiste vachtstructuur moet altijd een speciale glinsterende glans vertonen.

Zuiver wit, crème of wit met biscuit. (De basiskleur moet wit zijn met een paar biscuitkleurige tekeningen). Mag nooit de indruk geven van een bleekbruine kleur.

Schofthoogte: ideale hoogte: reu 57 cm met een tolerantie van ± 3 cm en teven 53 cm met een tolerantie van ± 3 cm.

Iedere afwijking van de voorgaande punten moet worden beschouwd als een fout. De ernst waarmee de fout wordt beoordeeld moet in juiste verhouding staan tot de mate waarin hij voorkomt.
. Zichtbare fouten in de bouw.
. Zwak beendergestel
. Reuen niet mannelijk en teven niet vrouwelijk.
. Tanggebit.
. Gele ogen
. Slappe oren
. Tonvormige ribbenkast
. Dubbel gedraaide staart
. Laag op de poten
. Slecht gebogen poten of koehakkig.
. Geheel golvende of korte vacht, lange, zachte of hangende vacht.
. Terughoudend.

. Duidelijk zichtbare delen zonder pigment op de oogleden of lippen.

. Blauwe ogen of verschillend van kleur
. Boven- of ondervoorbijter
. Geen opstaande oren
. Andere vachtkleur dan toegestaan in de standaard
. Verlegen of agressieve neiging

N.B.: Mannelijke dieren moeten duidelijk twee normale testikels hebben die volledig zijn afgedaald in de balzak.

Sparkling Samoyed fur
samoyed smile
samoyed ear
sparkling Samoyed coat
glinsterende Samojeden vacht
Samoyed Smile Samojedenlach
black nose
almond eye
black nose
zwarte neus
winternose winterneus

To Index


Compare / Vergelijk

In 2001 Discovery channel broadcasted the movie 'Raising of the Mammoth'. This film was taken on The Taymir Peninsula, the area were the Samoyed dog originated from. Underneath two pictures, taken from this movie showing a Samoyed dog lying on a sledge.

Inserted pictures of Luna van de IJszee. The resemblance is very remarkable! A proof that some breeders still are able to breed dogs to the original image of the samoyed.

In 2001 werd op Discovery channel de film:'Raising the Mammoth' uitgezonden. De film werd opgenomen op Taymir Peninsula, het gebied waar de Samojeed oorspronkelijk vandaan komt. Hieronder twee foto's uit de film, van een Samojedenhond die op een slee ligt. De inzet toont foto's van Luna van de IJszee.

De gelijkenis is heel opvallend! Een bewijs dat sommige fokkers nog steeds in staat zijn te fokken naar het oorspronkelijke beeld van de samojeed.

To Index


Teeth / Tanden

Remarkable... the difference in size of teeth. Different dogs but the same teeth from the same place in the jaw, photographed at the same age. One tooth is from the mother, the other tooth is from her daughter.

Opvallend... het verschil in grootte van de tanden. Verschillende honden, dezelfde tand, op dezelfde leeftijd gefotografeerd, op dezelfde plaats in de kaak. De ene tand is van de moeder, de andere van haar dochter.

melkgebit compare teeth

To Index